Andere domeinen

Waar burn-out een belangrijk probleem is bij artsen (in opleiding), is het zeker niet het enige probleem dat kan opduiken wat betreft de mentale gezondheid. Voor al deze zaken is het belangrijk te weten dat je er niet alleen voor staat. Hulp is beschikbaar voor iedereen die deze stap wil zetten. Hieronder een kort overzicht:

Depressie 

Depressie wordt gekenmerkt door langdurige gevoelens van somberheid of het niet meer kunnen genieten (anhedonie). Daarnaast kan er sprake zijn van concentratie- en geheugenproblemen, gevoelens van schuld en schaamte, een gedaald energieniveau, veranderde eetlust, slaapproblemen, gevoelens van moedeloosheid en hopeloosheid. Soms is er sprake van een verhoogde emotionaliteit met huilbuien. Soms ben je niet meer in staat om zaken te voelen en heb je last van een soort ‘afgevlaktheid’. Wanneer je last hebt van een depressie heb je vaak moeite om beslissingen te maken. Er kunnen gedachten aanwezig zijn omtrent de dood en zelfdoding. 

Artsen-in-opleiding worden vaak geconfronteerd met overmatige stress en lange werktijden, alsook met emotioneel zware thema’s, wat hen kwetsbaar maakt voor het ontwikkelen van depressieve klachten. Ze zijn vaak minder snel geneigd om hulp te zoeken uit angst voor stigmatisering. 

Nochtans is het uitermate belangrijk om tijdig hulp te zoeken. Onbehandeld kan een depressie maanden tot jaren aanhouden. Bovendien wordt na iedere depressie het risico op het ontwikkelen van een nieuwe depressie groter. De gevolgen, zowel op professioneel niveau als in de privésfeer, zijn vaak zeer ernstig.

Hulp kan je zoeken bij een psycholoog en/of een psychiater. Ook hier kan je beroep doen op VASO om samen naar de gepast hulp te zoeken, alsook kan je terecht bij de organisaties Doctors4Doctors en ArtsInNood.

Hieronder vind je een treffende getuigenis van een arts-in-opleiding die getuigd over haar depressie:

Secundaire traumatisering en het second victim fenomeen

Secundaire traumatisering: 

Secundaire traumatisering kan optreden als je in je rol van arts geconfronteerd wordt met mensen die een traumatische ervaring hebben meegemaakt, met beschrijvingen van trauma’s of met de verhalen van wreedheden die mensen elkaar aangedaan hebben. 

Bij het aanhoren van deze traumatische ervaringen kan je als als hulpverlener zelf klachten beginnen vertonen die passen bij het posttraumatische stresssyndroom. Beelden van de traumatische gebeurtenis kunnen zonder dat dit je dit wenst in je hoofd opduiken, je kan last hebben van slaapproblemen (nachtmerries) en angstklachten. Je kan je identiteit en je eigen competenties als hulpverlener in vraag gaan stellen. 

Second victim: Wanneer je als arts een medische fout maakt

Het second victim fenomeen beschrijft de impact die het maken van een medische fout heeft op de hulpverlener. Professor Albert Wu introduceerde de term in 2000 en schreef hier het volgende over: 

“Although patients are the first and obvious victims of medical mistakes, doctors are wounded by the same errors: they are the second victims,” (1)

Als arts-in-opleiding ben je als startende hulpverlener extra kwetsbaar voor het ontwikkelen van het second victim syndroom na het maken van een fout. Symptomen zijn onder andere depressieve en angstklachten, schuldgevoelens en slaapproblemen. Vaak is er een verlies van zelfvertrouwen. 

Middelengebruik/Verslaving

We spreken van verslaving wanneer iemand fysiek en mentaal afhankelijk is van een bepaalde stof of gewoonte en deze niet of heel moeilijk los kan laten. 

Bij artsen ontstaat verslaving vaak als coping, een manier om om te gaan met aanhoudende stressvolle omstandigheden (bv. om lange shiften en een hoge werkdruk door te komen, om om te gaan met de zware psychische belasting die de job kan hebben…). 

Er wordt geschat dat de prevalentie van verslaving bij artsen vergelijkbaar is met die van de algemene bevolking (1 op 10). Het meest voorkomende is alcoholverslaving, gevolgd door misbruik van voorschriftplichtige middelen. Illegale drugs komen minder frequent voor.(3) Een recente enquête uitgevoerd door Artsenkrant bevestigt deze cijfers: slechts 3% van de bevraagde artsen neemt illegale drugs (cocaïne, amfetamine, efedrine of XTC). Dit is wel duidelijk hoger bij artsen jonger dan 40 jaar waarbij 5,4% dergelijke stoffen gebruikt.(4) Ook in bepaalde disciplines zoals psychiatrie en anesthesie komt dit frequenter voor.(5) Van de ondervraagde artsen neemt 2,2% dan weer narcotische analgetica zoals fentanyl en morfine.(4) Op vlak van alcoholgebruik gaf in dezelfde enquête 1 op 3 van de bevraagden jonger dan 40 jaar aan van minstens 2 keer per week alcohol te drinken (wat beduidend minder is dan de 6 op 10 van de 60-70 jarigen). Bij de jongere generatie is het dan weer moeilijker om te stoppen met drinken eenmaal begonnen: 16% van hen gaf aan om het regelmatig – tot zelfs wekelijks – moeilijk te hebben om te stoppen.(6)

Middelengebruik heeft als kenmerk dat het bekomen van de stof of gewoonte de prioriteit is en andere zaken zoals het werk, de eigen gezondheid en de sociale context hierdoor in gevaar kunnen komen. Het gebruik van middelen op zich kan ook interfereren met het functioneren op het werk. Ontwenningsverschijnselen kunnen opduiken wanneer er niet aan de verslaving voldaan wordt. 

Ook bij verslaving is hulp beschikbaar en deze blijkt heel efficiënt bij artsen. Een Amerikaanse studie toonde namelijk aan dat na een intensieve behandeling 79% na 5 jaar nog steeds abstinent en aan het werk was.(7)

Suïcidaliteit

Suïcidaliteit omgeeft een spectrum gaande van gedachten aan de dood, de wens om dood te gaan, pogingen tot zelfdoding en geslaagde zelfdoding. 

Er wordt geschat dat het aantal zelfdodingen naar schatting 1,5 tot 3 keer hoger ligt bij dokters vergeleken met de algemene bevolking. Stressvolle ervaringen kunnen een belangrijke rol spelen in het suïcidale proces.(2)

Artsen-in-opleiding worden geconfronteerd met lange werktijden, een verstoord slaap-waakritme en vaak ook een slechte work-life balance. Psychiatrische problemen zoals angsten en depressie, burn-out, second victim en middelengebruik kunnen factoren zijn die een rol spelen in het ontwikkelen van gedachten aan de dood. 

Wanneer je gedachten aan de dood hebt, is het belangrijk om zo snel mogelijk een hulpverlener of een hulporganisatie te contacteren. Wie zelfmoordgedachten heeft, kan steeds terecht bij de Zelfmoordpreventielijn.

Andere psychosociale problemen

Ook voor andere problemen zijn artsen helaas niet immuun. Ook zij kunnen getroffen worden door relatieproblemen, conflicten op het werk, angststoornissen, andere psychiatrische ziektebeelden etc. 

Voor deze problemen kan je ook bij hulpverleners terecht. Ook bij VASO kunnen we je helpen of samen hulp zoeken. Nogmaals, je staat er niet alleen voor!

Referenties: 

  1. Wu, Albert. Medical error: the second victim. The doctor who makes the mistake needs help too. British Medical Journal. 2000 Mar 18; 320(7237): 726–727.
  2. Dong M, Zhou FC, Xu SW, Zhang Q et al. Prevalence of suicide-related behaviors among physicians: a systematic review and meta-analysis. Suicide and life threatening behavior. 2020; 50: 1264-1275. 
  3. Van Crombrugge L, Van Heeringen C, Matthys D. Middelengebruik bij artsen. Tijdschrift voor geneeskunde. 2009;65(19):875–9.
  4. Geert Verrijken. Klassieke analgetica maar ook middelenmisbruik. Artsenkrant. 2021;20. Beschikbaar op: https://www.artsenkrant.com/magazine/klassieke-analgetica-maar-ook-middelenmisbruik/article-normal-54787.html [Bezocht 3 juli 2021]
  5. Geert Verrijken. De ene medische discipline is de andere niet. Artsenkrant. 2021;20. Beschikbaar op: https://www.artsenkrant.com/actueel/de-ene-medische-discipline-is-de-andere-niet/article-normal-54793.html [Bezocht 3 juli 2021]
  6. Geert Verrijken. Glaasje wijn onderdeel van het dagelijks leven. Artsenkrant. 2021;20. Beschikbaar op: https://www.artsenkrant.com/magazine/glaasje-wijn-onderdeel-van-het-dagelijks-leven/article-normal-54791.html [Bezocht 3 juli 2021]
  7. McLellan AT, Skipper GS, Campbell M, DuPont RL. Five year outcomes in a cohort study of physicians treated for substance use disorders in the United States . BMJ 2008;337:a2038.